Transformatie sociaal domein: eerste ervaringen

Bespreking publicatie Doen wat nodig is. Experimenten die maatwerk mogelijk maken (z.p., oktober 2016)

Publicatie ‘Doen wat nodig is’

De transitie van het sociale domein (de overgang van het Rijk naar de gemeenten) zou nu moeten overgaan in de daadwerkelijke transformatie: een integrale aanpak, met maatwerk voor de burger met een ondersteuningsbehoefte. Deze transformatie is een grote opgave voor de gemeenten. Gelukkig laten de koplopers onder de gemeenten andere gemeenten profiteren van hun eerste ervaringen. Vijf gemeenten (Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht en Zaanstad) hebben de ervaringen gebundeld van de sociale teams en geanalyseerd, die een centrale rol vervullen in die transformatie. Dit levert nuttige aanbevelingen op. Zo blijkt dat zij regelruimte nodig hebben als zij echt maatwerk willen leveren.

De eerste belangrijke constatering van de koplopergemeenten waar ik bij stil wil staan, is dat het ‘gelijkheidsprincipe’ niet meer geldt. Maatwerk leidt onvermijdelijk tot het afwijken van de regels. En dat is tegengesteld aan de traditie waarbinnen elke ambtenaar werkt, namelijk dat de overheid haar regels toe moet passen zonder onderscheid des persoons. De werkelijkheid is weerbarstiger dan de ambtelijke traditie wil. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat de hoog opgeleide burger het beste in staat is om zich de verstrekte ondersteuning toe te eigenen. Hoogopgeleiden maakten in het verleden bovenmatig gebruik van AWBZ-zorg. De reden is dat de overheid in al haar gedaanten ervan uit gaat de burger goed is opgeleid, goed kan lezen en schrijven, zelfstandig en mondig is. Dat is natuurlijk niet het geval. In ons land is 10 tot 15% van de bevolking (afhankelijk van welke definitie je neemt) niet mondig en begrijpt de regels niet. Niet toevallig is dat de groep die ook de meeste ondersteuning nodig heeft. De hoogste bestuursjurist van Nederland, vice-voorzitter van de Raad van State en oud-minister van Justitie Piet-Hein Donner heeft op de fundamentele wetswijzigingen van de transitiewetgeving gewezen: maatwerk naar behoefte is de norm geworden. Ofwel in zijn woorden: ‘de wetgever is overgestapt van ‘gelijkheid’ als dragend rechtsidee bij de invulling van sociale en maatschappelijke zorg, naar ‘ieder het zijne geven’.

Wat is maatwerk? Welke normen hanteer je daarbij? In de publicatie wordt veel casuïstiek weergegeven. Zeer herkenbaar voor wie al langer in het gemeentelijk sociaal domein werkt. ‘Veel huishoudens die voor steun aankloppen bij een wijkteam, hebben problemen met de basisbehoeften. Ze leven in armoede, hebben schulden of gebrekkige huisvesting. Onze ervaring is dat mensen pas openstaan voor begeleiding rond opvoeding, participatie en werk als deze basale problemen zijn opgelost’ schrijven de samenstellers. En terecht, want schulden kunnen alles overheersen en als de dreiging volgt van uit-huiszetting, dan worden de problemen en stress alleen maar groter.’ De samenstellers proberen de maatschappelijke kosten en baten van succesvolle en niet gelukte interventies in beeld te brengen.

Summier wordt ingegaan op de ‘schottenproblematiek’: het grote schot tussen het sociaal domein van de gemeente en het zorgdomein (huisarts, wijkverpleging, eerstelijns gezondheidszorg). Te hopen is dat de volgende publicatie daar over gaat, want de verschillende werelden botsen nu voortdurend.

Mijn belangrijkste bezwaar tegen de publicatie is meer moraal-filosofisch van aard. De grondtoon van deze publicatie is positief: de mens met ondersteuningsbehoefte is intrinsiek goed. Ik wil hier niet uitgaan van een goed-fout-schema, maar de mens die met de rug tegen de muur staat, kijkt en handelt wat goed is voor haar/hem of haar/zijn kinderen. Indien de regels het mogelijk maken, worden de voorzieningen ten volle uitgenut. Wanneer de gelegenheid wordt gegeven, wordt door de calculerende burger van regelingen geprofiteerd. En als een gezin min of meer schuldenvrij is, moet het niet door de schuldhulpverlener worden losgelaten, want dan staat de nieuwste Oled-tv en x-box op afbetaling in de huiskamer en wordt het geld met bakken uitgegeven, met als gevolg dat het gezin nog dieper in de schuldenpuree zakt. Vanuit het oogpunt van zorg en welzijn willen de professionals graag helpen en ondersteunen. Zij doen alles wat nodig is. De hulpverlener is altijd dichtbij. Dat is een enorme valkuil, waar menig professional regelmatig in valt.

Vanuit sociale zaken en de volkshuisvesting worden de regels veel strikter gehanteerd. De middelen zijn schaars en moeten rechtvaardig worden verdeeld. Dat staat op gespannen voet met de norm van Donner. Gelukkig worden in de praktijk voor speciale groepen regelvrije ruimtes gecreëerd, bijvoorbeeld voor dak- en thuislozen, psychiatrische patiënten en verslaafden. In de maatschappelijke opvang wordt het door de professionals zonder papierwerk geregeld. Maar ook hier is alles er op gericht om de behoeftige burger uit de goot te halen en uitzicht te bieden op een beter leven. Daarbij wordt – net zoals bij sociale zaken en de volkshuisvesting – het principe van de wortel en de stok gehanteerd. In beginsel is er de wil bij iedere professional om de burger met een ondersteuningsbehoefte te helpen. Binnen het gemeentelijk sociaal domein zijn de regels dusdanig toe te passen dat voor ieder probleem wel een oplossing kan worden gevonden. Voorwaarde is dat alle partijen – van belastingdienst tot huisarts, van vrijwilliger tot sociaal rechercheur – het als een gezamenlijke opdracht zien om het juiste pakket aan maatregelen te leveren.

21 oktober 2016